Er zijn twee kampen en ze hebben allebei ongelijk. De doemdenkers zeggen dat AI onze banen komt halen. De victoriekraaiers zeggen dat het allemaal wel meevalt en dat er vanzelf mooiere banen voor terugkomen. Wij voorspellen iets anders, en het is ongemakkelijker dan beide.

Laten we eerst vaststellen wat AI onderscheidt van elke technologische revolutie die onze generatie en die van onze voorvaderen heeft meegemaakt. De stoommachine verving spierkracht. De computer verving rekenwerk en administratie. Beide vervingen een soort arbeid. Wat er nu gebeurt is dat een technologie het beoordelingsvermogen zelf begint te benaderen — het ding dat we tot voor kort als het definiërende kenmerk van menselijk werk beschouwden. Dat het nog jaren duurt voordat een model een mens werkelijk evenaart, staat vast. Dat het geen tientallen jaren zijn, staat wat ons betreft ook vast.

De cijfers laten zien hoe glibberig die voorspelling is. Onderzoeksinstituut METR meet hoe lang een taak mag duren voordat een model hem nog met vijftig procent kans goed afmaakt. Die "taakhorizon" verdubbelt sinds 2024 ongeveer elke drie maanden; het beste model in hun meting zit inmiddels rond de vijf uur. Maar METR waarschuwt zelf, en dat siert ze, dat het betrouwbaarheidsinterval een factor twee beide kanten op loopt en dat de horizon bij visuele computertaken veertig tot honderd keer lager ligt dan bij programmeerwerk. Extrapolatie naar maanden of jaren noemen ze letterlijk "fraught". Ondertussen kwam de grootste enquête onder AI-onderzoekers uit op een mediaan van 2047 voor menselijk niveau en 2116 voor volledige automatisering van arbeid — bijna een eeuw ertussen. Wie u ook citeert, u citeert onzekerheid.

De pijn zit niet waar u denkt

Neem even aan dat het naarste scenario werkelijkheid wordt. Alle banen vervangen door een machine. De bevolking zit werkloos en zonder inkomen thuis. Dan resteert één vraag die zelden gesteld wordt: voor wie produceren die machines dan nog? Een economie zonder consument is geen economie. De logica van het kapitalisme is hier zijn eigen rem — niet uit menslievendheid, maar uit rekenkunde.

Bovendien gaat het scenario voorbij aan de aard van de mens. Dat we iets kunnen vervangen betekent niet dat er automatisch een verlangen ontstaat om het te vervangen. Wij blijven kuddedieren die de aanwezigheid en de aandacht van andere mensen nodig hebben — thuis, maar ook in tal van zakelijke transacties.

Kijk naar de supermarkt. De zelfscankassa zou het einde der tijden voor de caissière inluiden. In werkelijkheid koos volgens een peiling van Radar in 2022 tweeënzestig procent van de Nederlanders soms of altijd voor de scanautomaat, en verzette eenendertig procent zich ertegen. Interessanter nog is wat de retail zelf deed toen de rekening kwam: de Britse keten Booths haalde de zelfscankassa's uit zesentwintig van zijn achtentwintig winkels ("je kunt geen goede service leveren via een robot"), Dollar General verwijderde ze volledig uit driehonderd winkels, en Target beperkte zelfscan tot tien artikelen en opende juist méér bemande kassa's. Dichter bij huis zegt drieënzeventig procent van de Nederlanders menselijk contact te missen in digitale dienstverlening en wil tweeënnegentig procent een mens aan tafel bij grote beslissingen — hypotheek, diagnose. Maar eenenvijftig procent verkiest een snelle chatbot boven wachten op een trage medewerker. Dat is geen tegenstrijdigheid. Dat is een prijskaartje aan slechte menselijke dienstverlening.

Zo zal het ook gaan bij de hotelreceptie, de artsenpraktijk, de gemeentebalie. Niet vervanging, maar splitsing.

De arbeidsmarktcijfers wijzen dezelfde kant op. De ILO schat dat een kwart van de banen wereldwijd blootstaat aan generatieve AI, maar concludeert expliciet: transformatie, niet vervanging. Het IMF vindt dat een toename van vacatures met nieuwe vaardigheden samengaat met méér werkgelegenheid, niet minder. Het Budget Lab van Yale meet nog altijd geen aantoonbaar AI-effect op de Amerikaanse beroepenmix. En het CBS vond dat vijfenveertig procent van de Nederlandse werkenden denkt dat AI een deel van hun werk kan doen — maar slechts vier procent denkt dat het hun werk volledig overneemt.

Waar wij ons wél zorgen over maken

Tot drie jaar geleden was een foto, een film of een uitvoerig rapport het scharnierpunt waarop we feitelijkheid van fictie lieten draaien. Dat scharnier is eraf.

Onderzoekers van de University of New South Wales lieten gewone deelnemers AI-gezichten van echte gezichten onderscheiden. Score: 50,7 procent. Munt of kop. Zelfs "super-recognizers" — mensen met een aantoonbaar uitzonderlijk gezichtsgeheugen — kwamen niet verder dan 57,3 procent. In een studie van Swansea University herkenden deelnemers AI-beelden van bekende personen níét betrouwbaar, ook niet met een echte referentiefoto ernaast. En in een klassieke Turingtest aan UC San Diego werd GPT-4.5 met een persona-prompt in drieënzeventig procent van de gevallen voor de mens aangezien — vaker dan de echte mens.

Zet daar één Nederlands cijfer naast en het beeld is compleet: zesenzeventig procent van de Nederlanders heeft er vertrouwen in dat ze onjuiste informatie zélf herkennen. Het gat tussen zelfbeeld en vermogen is niet langer een filosofisch vermoeden. Het is gemeten.

Dat gat is niet weg te trainen. Ons brein is honderdzestigduizend jaar lang beloond voor het geloven van wat het ziet. Die bedrading deprogrammeer je niet met een mediawijsheidsles.

En intussen kruipt de Dead Internet-theorie richting werkelijkheid. Het Bad Bot-rapport van Thales kwam voor 2025 uit op drieënvijftig procent geautomatiseerd webverkeer tegen zevenenveertig procent menselijk, met AI-gedreven botactiviteit die met een factor 12,5 steeg. Steeds meer van die accounts wedijveren om uw aandacht, en ze doen dat steeds vaker door te appelleren aan de meest basale emoties: angst, woede en lust.

Eén nuance, want die verdient de lezer. Een preprint van Imperial College, Stanford en het Internet Archive vond dat ongeveer vijfendertig procent van de nieuw gepubliceerde websites AI-gegenereerd of AI-ondersteund is — maar vond géén statistische steun voor "truth decay" of stilistische monocultuur, terwijl respectievelijk drieëntachtig en vijfenzeventig procent van de ondervraagden gelooft dat die effecten wél optreden. De perceptie loopt vooruit op de meting. Dat is precies waarom dit stuk over zelfbeeld gaat en niet over ondergang: het verhaal dat wij onszelf vertellen over de werkelijkheid beweegt sneller dan de werkelijkheid.

De echte vraag

Als u ergens voor moet vrezen, vrees dan niet voor de vraag óf er nog middelen van bestaan overblijven. Vrees voor het type samenleving waarin deze transitie wordt doorgevoerd.

Want wat zijn middelen van bestaan nog waard als de samenleving om u heen tot op het bot is verscheurd door wantrouwen, animositeit en identitaire verdeeldheid? De Edelman Trust Barometer meldde begin 2026 dat zeventig procent wereldwijd niet bereid is mensen met andere waarden of andere informatiebronnen te vertrouwen, en dat slechts negenendertig procent wekelijks nieuws leest van een andersdenkende bron. Het Reuters Institute mat vertrouwen in nieuws op zevenendertig procent — het laagste sinds die meting in 2015 begon.

Daar zit het risico. Niet in de robot die uw werk doet, maar in de samenleving die niet meer weet wat waar is terwijl hij dat besluit neemt.


Bronnen